Meditaties

 

Inhoudsopgave

 

Meditatie mei 2012

Meditaite april 2012

Meditatie maart 2012

Meditatie februari 2012

Meditatie december 2011

Meditatie november 2011

Meditatie oktober 2011

Meditatie september 2011

Meditatie augustus 2011

Meditatie juni/juli 2011

 

 

Meditatie mei 2012

Vrijheid in verbondenheid

“Waar de Geest des Heren is, daar is vrijheid”. Deze tekst in het sfeervolle kerkje van de NPB aan de Kerkstraat in Brielle, intrigeert me. Het is een woord van de apostel Paulus in een van zijn pastorale brieven (2 Kor 3: 17). In een van de eerste geloofsgemeenschappen wordt Christus op ongekend nieuwe manier verkondigd. Paulus heeft geen opstandingsverhalen nodig, geen verhaal over een Hemelvaart, om van de blijvende kracht van zijn Heer in en onder mensen te getuigen. In één zinnetje staat het: “De Heer nu is de Geest”.  Pasen, Hemelvaart en Pinksteren komen in die paar woorden samen. Geen getuigenis van opstanding, noch van verschijningen, waarvan de laatste de Heer op een wolk hemelwaarts voert. Is dat niet wat magertjes?

Dat zijn onze vragen. Kennelijk lag dat voor de apostel, die getuigde van zijn Heer, anders.

De Geest is voor deze joodse man, die Paulus ook is gebleven, verbonden  de HEER, die Schepper is en Bevrijder van mensen. Bevrijding uit slavernij, zoals in het boek Exodus verwoord, blijft het kernverhaal van de joodse geloofstraditie. Wie leeft als slaaf, in onderdrukking, die is eigenlijk levend dood. Welke zin lag er dan in dat de Schepper zijn Geest, zijn Adem (het Hebreeuws kent daar één woord voor: Roeach) inblies en pas zó de mens maakte tot een levend wezen (Genesis 2: 7)?

 De bijbelschrijvers zijn niet geïnteresseerd hoe schepping is ontstaan. Niet de vraag hoe maar waartoé de mens is geschapen, al dan niet afstammend van apen, is de leidende vraag in het bijbels getuigenis. De mens is er om beeld en gelijkenis te zijn van zijn Schepper. Niemand heeft en zal ooit God kunnen zien. Maar wie in zijn of haar leven leert horen zoals God hoort, die maakt iets zichtbaar van God. Wie leert zien als door de ogen waarmee de HEER ons ziet, schouwt, kent tot in ons hart, zoals dat vervuld kan zijn van verlangen, van hoop, maar ook van wanhoop en leegte, die is beelddrager van Hem.

 Al ons horen en zien wil gevormd worden door dat hogere en tegelijk diepere schouwen en verstaan dat de HEER ons wil inscherpen. Hoe? Door Zijn Geest. Het is dezelfde Geest die Israëls ellende hoorde in slavernij, die ook die ene zoon uit Israël, Jezus, heeft bezield, gevormd tot die mens naar Gods verlangen. Als zijn hemelse Vader zag Jezus mensen tot in hun diepste verlangens, schuld en gemis. Hij zag in hen ook kracht  en liefde die tot nieuw leven kon worden gewekt, wanneer deze

verbonden zouden raken met zijn liefde en mededogen. Waar haalde Jezus die kracht vandaan?

Door de Geest van  de HEER, zijn hemelse Vader, waar hij zich gaandeweg zijn leven steeds meer verbonden mee wist. In Jezus werd God, de Onzichtbare, zichtbaar – tot in zijn hart, tot in Zijn verlangen naar recht en gerechtigheid.

In zijn boeiende referaat verwoordde de Haagse predikant Carel ter Linden dat onlangs in Brielle:

“God troont “in den hoge”, opdat Hij goéd kan schouwen in de diepte, daar waar mensen in verdrukking zijn.” Het bijzondere en inspirerende blijft dat Jezus de hoog verheven HEER zichtbaar heeft gemaakt onder mensen. Door Jezus zocht en zoekt de HEER verbinding met ons, opdat ook wij, met vallen en opstaan, leren gelijken op Hem. Uit onszelf lukt ons dat niet. Het is de Geest, die ook Jezus heeft bezield, die ons daartoe in staat stelt.

Verbonden met deze Geest, raken we tot de diepte van ons bestaan, onze bestemming. Gericht op de vrijheid van de ander, komen we ook zelf tot ons recht, zo luidt de bijbelse opdracht én belofte.

 De dagen van 4 en 5 mei herinneren ons er weer aan hoe belangrijk vrijheid is voor mensen. We staan weer stil hoeveel schade en schande mensen over zich uitroepen, als eigen vrijheid en wil tot macht de aanjager worden, niet van dienen maar van heersen over medemensen. Deze brute vrij-blijvendheid slaat, nog steeds, dat innerlijk beeld van God stuk, zowel in de verdrukte als in de verdrukker. Waar de Geest van de Heer werkt, daar wordt dat beeld in mensen hersteld.

In Hem, naar wie wij mogen heten, Jezus Christus, is heeft die hemelse belofte voorgoed vaste voet gekregen, in onze wereld – wachtend om ook in ons leven een vaste grond te vinden.

 

Naar inhoudsopgave

 

 

Meditaite april 2012

Identiteit

We zijn het kwijt, zo lijkt het de laatste tijd. Datgene wat er ongemerkt altijd leek te zijn, waar niemand naar zocht of vroeg. Het was er gewoon – onze identiteit. We zijn het kwijt, onze identiteit, als we veel media tenminste geloven. Identiteit, wat is dat eigenlijk? Iets wat je maakt tot wie je bent. Dat is nog veel te “ietserig”.  Er is zo een rijtje kenmerken te noemen die onze identiteit bepalen. Voor generaties waren ze helder en vanzelfsprekend. Of we nu protestants zijn of socialist, rooms-katholiek, liberaal, humanist of vrijdenker, het zijn verschillende kenmerken die onze identiteit bepalen. Verder is ons karakter, ons werk, onze familie medebepalend voor onze identiteit. Wat ons tot Nederlander maakt is eveneens onze vrijheidsdrang, onze nuchterheid van “doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg”. En generaties lang kenden we ook een gedeeld geschiedenisbesef. De verhalen over de Tachtigjarige oorlog, de VOC-helden, de Franse Tijd en de basis voor onze constitutionele democratie onder invloed van Thorbecke en Groen van Prinsteren, ze behoorden tot onze canon. Vertrouwde “huisraad” was het die generaties meekregen op school. En als je het over de oorlog had, dan wist iedereen tot voor kort dat je de Tweede Wereldoorlog bedoelde.

 Die tijd van vanzelfsprekendheid is voorgoed voorbij. Ons Hollands huis is veranderd.

Ramen en deuren raakten open, de wind kreeg vrij spel en bracht vreemde geuren, andere verhalen mee, van wanhoop, heimwee, maar ook van andere trots. Beweging die in ons huis, ons denken, veranderde wat lang een vaste en vertrouwde plek leek te hebben verworven. Geschiedenis wordt, met de vele nieuwkomers in ons land, niet meer gedeeld. Christendom, in al zijn variaties is niet meer samenbindend. Autochtonen vinden het grotendeels achterhaald, en allochtonen verbazen zich daarover óf nemen eigen godsdienst mee. Spreken over de oorlog levert heel ándere verhalen op – uit Soedan, Rwanda, Iran en de Balkan. Soms lijken we vreemden in eigen land, niet meer thuis bij onszelf. Met veel reizen, het opdoen van emoties, het onrustig zappen langs allerlei aanbod van kennis en vormen van spiritualiteit maskeren we ook veel leegte en verlegenheid.

 Wie zijn we eigenlijk, waarvoor leven we, waar staan we voor, zien we naar uit?

Ongemerkt zijn dat andere componenten die identiteitsbepalend willen zijn. Bovengenoemde kenmerken vooronderstellen identiteit meer als een bezit. Dan spreken sommigen al gauw over “onze identiteit”, als iets dat vastomlijnd is, verstoken van vreemde invloeden. Moet ons land weer zo blank en zuiver worden als de lichtende haardos van Wilders?  Zijn we dát kwijtgeraakt – onze trots als Nederlander, volgens Rita Verdonk? Zoekgeraakte trots als verloren gewaande identiteit. Identiteit als bezit lijkt helder, overzichtelijk, maar kent ook gevaren. Trots kan ook zelfgenoegzaamheid maskeren en luiheid in denken, onwil om je in anderen te verplaatsen.

Denken over en definiëren van identiteit wordt anders wanneer niet allerlei kenmerken, als een verworven bezit, bepalend zijn, maar wanneer vragen richtinggevend worden: wie wil ik zijn als mens, wat bezielt mij, wat voedt mijn verlangen? Identiteit is dan geen tastbaar bezit, laat staan een paspoort met het juiste stempel. Identiteit is in het licht van deze vragen een opdracht. Het is een opdracht om mens te zijn, te worden, naar Gods beeld en gelijkenis. In onze Heer Jezus Christus, wordt dat beeld zichtbaar. Zijn zoeken naar en opkomen voor recht en kwetsbare mensen, wil ons innerlijk stempelen. Die onrust, dat verlangen naar menselijkheid over grenzen heen, naar recht en gerechtigheid geeft ons een andere onrust in het hart. Niet het reizen over de wereld, het zappen langs allerlei inzichten en emoties bepaalt ons doen en laten. Het is te doen om een andere beweging. Bedoeld is een leven dat zich in openheid en scherpte, in mededogen en volharding, in bezieling en met een koppig geloof wil blijven inzetten voor andere mensen, dichtbij en veraf, die op déze betrokkenheid zijn aangewezen. Die mensen zijn wijzelf. Meer dan iets anders wil dit verlangen naar ruimte van leven voor iedereen, over grenzen heen, ons binden.

 Niet voor niets werden de eerste christenen in de oude wereld “mensen van de weg” genoemd. Mensen waren het die zich in openheid lieten vinden én die op zoek waren naar anderen om samen een nieuwe identiteit te ontdekken. Niet één die bepaald wordt door eigen natie, bezit, standaard van leven, maar identiteit als een opdracht én als een geschenk dat ons in Jezus, als beelddrager van Gods verlangen, in het hart is gegeven. Wie zo wil leven, die raakt zélf niet zoek, laat staan zijn of haar identiteit. Verlangen naar het doen van recht en leven vanuit  mededogen maakt vreemdelingen tot vertrouwden, brengt mensen, eindelijk, - terecht.  

EJR

 Zo bent u dus geen vreemden of gasten meer,

maar burgers, net als heiligen, en huisgenoten

van God, gebouwd op het fundament van apostelen

en profeten, met Christus Jezus zelf als de hoeksteen.

Vanuit hem groeit het hele gebouw, steen voor steen,

uit tot een tempel die gewijd is aan hem, de Heer,

in wie u ook samen opgebouwd wordt tot een plaats

waar God woont door zijn Geest.

Efeziërs 2: 19-22

Naar inhoudsopgave

 

Meditatie maart 2012

Schatplichtig

Dit jaar valt Pasen op 8 april. In de berekening van de paasdatum, de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente, ligt nog de verbinding met de oudste laag van dit grootste feest van de kerk. Oorspronkelijk is Pasen een lentefeest. De huppelende paashaas, al dan niet op zijn paasbest, met het mandje vol eieren, als symbool van nieuw leven, herinneren ons daaraan.

Niettemin ademt Pasen ook voor veel gelovigen de geur van de dood, van onbegrijpelijk lijden van één omwille van allen. Christus, gestorven voor onze zonden – als een mantra klinkt dit bericht door de eeuwen, is het diep verzonken in het hart van de christenheid. Voor de diepgelovige Lutheraan Bach was dat niet anders. Zijn voor velen onder ons herkenbare bevindelijk geloof heeft Bach op onovertroffen wijze muzikaal vertolkt in zijn Mattheüs Passion.

Reeds in de eerste maten ligt iets van het ontzaglijke drama, Jezus’ kruisdood, dat zich gaat voltrekken. Tegelijk weerklinkt in deze muziek de menselijke reflectie van de gelovigen op dit drama van verlossing: ontzag, huiver, besef van schuld, verwondering en ontluikende dankbaarheid, nog diep in de knop verborgen, dat dit alles geschiedde “om onzentwil”.

Bach’s Mattheüs Passion brengt ontroering. Dan vraag ik me af: raakt het verhaal mij of is het meer de eigen zeggingskracht van deze muziek die, meer dan woorden kunnen, een diepe laag in mij beroert?

Het evangelie van Pasen, van lijden en van opstanding, moet elke keer worden doordacht, uitgelegd.  Anders blijven de genoemde woorden als mantra’s hooguit zo vertrouwd als de geraniums, het bloemetjesbehang dat al jaren is te zien bij oma thuis. Maar verder blijven de woorden gesloten. Zo wordt geloven vaak doorgegeven. Als een gesloten enveloppe aan nieuwe generaties kinderen en kleinkinderen, terwijl vaders, moeders, opa’s en oma’s nog die enveloppe openden, de brief leerden lezen – als bevrijdend evangelie.

Evangelie, ook dat van Pasen, wil iedere keer opnieuw, in taal van vandaag, worden uitgelegd, zoals je een opgevouwen brief, uitlegt op tafel om hem goed te kunnen lezen. Dat lezen kan ook niet zonder de kennis die we hebben vergaard over de traditie waaruit de Kerk haar interpretatie van Pasen heeft laten voortkomen. Wat mij heeft geholpen is het verstaan van de Joodse traditie die altijd, ook voor christenen, verbonden wil blijven met vieren van Pasen.

Pasen komt van het Hebreeuwse werkwoord pasach, dat vertaald kan worden met: sparend aan voorbij gaan. Het volk Israël heeft dat in die ene nacht van bevrijding ervaren. Bij de tiende plaag worden niet de eerstgeborenen van uit dit volk getroffen. Dankzij het bloed van een geofferd lam, gestreken aan de deurposten, gaat de engel des doods die nacht sparend voorbij aan de huizen van de Israëlieten.

Jezus, als zoon van Israël, zal tijdens de laatste pésach maaltijd met zijn vrienden, zichzelf plaatsen in die traditie van offer en bevrijding. Maar wat met pésach werd en wordt gevierd, wil ook in de kerk gehoord worden en vierend als bron van kracht in ons midden worden gesteld.

Wat wil met Pésach en Pasen in het midden worden gesteld en gevierd?

Gods trouw en bevrijdende kracht die in mensen eenzelfde kracht tot bevrijden wil losmaken, opdat ook wij, bezield door Gods adem en Geest, in daden van recht, van moed, barmhartigheid en mededogen, het gelaat van een getekende wereld, van de aarde zullen vernieuwen (psalm 104: 30).  

Hoe kunnen wij, in het spoor van Israël en de Kerk, Pasen vieren zonder dat we toeschouwers blijven van dit drama dat door de nacht van dreiging en dood verlossing brengt, een nieuwe morgen?

Ik zoek naar een woord, een sleutelwoord dat de deur opent naar dit bevrijdende geheim van Gods kracht en liefde die ook ons, die mij wil inschakelen op die niet te stoppen weg van bezieling, bevrijding die de Heer verkiest te gaan door de geschiedenis. Schatplichtig is het woord dat ik niet alleen voel, maar dat als een geschonken besef wil oplichten in mijn bestaan.

Wat ik niet begrijp, Gods bevrijdende gang in Israël, met die ene verkoren zoon uit dit volk, Jezus Christus, laat me niet los. Omwille van bezieling, omwille van de bevrijdende kracht van liefde die ook in mij, in ons wil ontkiemen, gaat de HEER Zijn gang onder mensen, in Israël als eerste, in de Kerk en daarbuiten. Dat roept verwondering op, en diepe dankbaarheid. Ik voel, ik weet mij daaruit schatplichtig om die erfenis, die krachtige liefde van God, te bewaren, te laten groeien in onze kleine en grote wereld die daar, ook zonder dat ze dat weet, intens naar verlangt.

EJR

Naar inhoudsopgave

 

Meditatie februari 2012

Lichtval

Kent u het nog, zo’n caleidoscoop? Fascinerend was hoe in een koker allerlei  stukjes gekleurd glas met behulp van een ingebouwd spiegeltje de meest mooie patronen lieten zien. Je moest daarbij wel draaien aan de kop. Verder was het van belang dat je de koker, met een  helder glas voorop, richtte naar het licht. Deed je dat niet dan zag je amper iets of helemaal niets. In het licht kwamen de mooiste kleuren tevoorschijn, al draaiend weer nieuwe, verrassende patronen. Aan dat beeld van een caleidoscoop moet ik denken in deze tijd van Epifanie. Zo wordt de tijd genoemd in de kerk tussen de oudste kerstdatum – 6 januari- en de veertigdagentijd.

Van oudsher is het een tijd van bezinning op die ene vraag: wie is die ene mens naar Gods hart, Jezus? Wat is zijn betekenis voor ons?

In de weken van Epifanie, maar ook daarbuiten, valt iedere keer weer op een andere manier het licht op die ene figuur waarover gelovigen maar niet raken uitgepraat. Tot die eerste gelovigen behoren de evangelisten. In de verhalen van de wijzen uit het Oosten, de bruiloft te Kana, de wonderbaarlijke brooddeling, worden iedere keer weer andere antwoorden gegeven op die ene vraag naar de betekenis van Jezus.

Vele antwoorden op die ene vraag naar Jezus. Kan het anders? Het is als met een diamant. Al draaiend in je hand valt het licht op verschillende manieren op telkens weer andere facetten van deze man uit Nazareth, die tegelijk zoon van de allerhoogste wordt genoemd.

Soms is het teveel voor zijn dorp en streekgenoten. Wie denkt hij wel dat hij is, - Jezus? Is dat niet die zoon van Jozef de timmerman uit Nazareth? Maar ook voor wie, voorbij scepsis, zijn hart wil openstellen, blijft deze ene teveel om zomaar te kunnen bevatten.

Er zijn meerdere verhalen, getuigenissen nodig, om meer zicht en diepgang te krijgen in Jezus’ betekenis voor ons. Uit het verhaal van de drie wijzen leren we dat Jezus Messias een licht is voor alle volkeren, krachtiger dan welk licht, dan welke ster ook. Kana vertelt ons over de kracht van liefde die uitgaat van Jezus en die dienstbaar wil zijn aan het leven en de vreugde daarin. Het verhaal van Johannes is een subtiel protest tegen het bestaan waarin de vreugde vroegtijdig stokt, waarin liefde opdroogt.

Ik draai opnieuw aan die caleidoscoop van verhalen en zie dat het licht op weer een andere manier binnenkomt en valt op een nieuw tafereel. Aan de oever van de Jordaan staat een lange rij mensen, wachtend om te worden gedoopt door Johannes. Inkeer en omkeer tot God, dat is wat deze mensen verlangen. Daartoe zullen ze eerst kopje onder moeten gaan, als teken op het oude leven af te leggen en vernieuwd leven voortaan te richten op de HEER en zijn woorden ten leven. Je moet goed kijken om die ene daar tussen te ontdekken. Jezus staat ook in die rij om zich, als al die anderen, te laten dopen. Jezus, wie is hij? Het ontroerende verhaal van de doop van Jezus laat ons zien dat hij daarin één van ons wil zijn. Dichtbij ons wil hij staan, bereid om mee de diepte van leven in te gaan. Zich oprichtend uit het water wil hij bij ons blijven, maar nu wel als degene die voor ons uitgaat. Jezus als voorganger voor bezield leven in verbondenheid met God.

Hij is het venster van die caleidoscoop waardoor het licht valt, als beeld van de grote liefde van God zelf. Bij dat inzicht staat het beeld even stil, is er die ene die ons aankijkt, die ons roept en wenkt om hem te volgen. Nu ben ik het, zijn wij het die, stuk voor stuk, in beweging worden gebracht.

Al levend in het spoor van Jezus wil het licht van Gods bezielende en vasthoudende liefde  in ons, onder ons zorgen voor iedere keer weer nieuwe, verrassende patronen: veelkleurig leven waar meer mensen van zullen opkijken. Vierend, delend, grenzen in vormen en taal van vieringen verleggend, creatief kiezend voor de kwetsbaren in onze samenleving, zo wil gaandeweg antwoorden worden gegeven door de gemeente van de Heer op die ene vraag die ons wil blijven bezighouden en die anderen in verbazing, verwondering, hopelijk leren stellen: Jezus, wie is hij toch, hij die zoveel mensen in beweging weet te brengen. Wie is hij die mensen in het licht brengt aan wie anders gedachteloos wordt voorbij geleefd?                              

                                                                                                                          EJR 

Naar inhoudsopgave

 

Meditatie december 2011

 

Vindplaats van God

Advent is van oudsher de tijd van uitzien naar de geboorte, de komst van Jezus. Tegelijk schuilt in de adventstijd ook een dieper verlangen. De komst van Jezus Messias heeft de wereld niet verlost van alle onrecht en tekort. Er blijft een verlangen dat pas gestild kan worden met de wederkomst van Jezus, die Gods koninkrijk zal inluiden. Johannes droomt daarvan. In een groots visioen ziet hij een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De zee, als beeld van ondergang en krachten die mensen kleinhouden, zal er niet meer zijn. God zelf zal bij de mensen wonen, alle verdriet wegnemend, bezielend, als alfa en omega, alles omvattend.

Een mooi perspectief. Maar nog zo oneindig ver weg.

 Het wezenlijke van kerst wil ons voor cynisme en moedeloosheid behoeden. Het evangelie getuigt dat Gods allesomvattende liefde reeds werkelijkheid is geworden. In Jezus is de menslievendheid van de Allerhoogste onder ons verschenen, zo tastbaar als een mens maar zijn kan. In de beproefde liefde en trouw, door de dood heen krijgt Gods zoekende en vasthoudende liefde een eigen gezicht in die ene, de zoon van de allerhoogste. Door Jezus’  leven, zijn hartstocht voor recht, zijn bewogenheid om mensen, juist in hun tekorten en in hun verlangens, zeggen en zingen gelovigen de eeuwen door: Hij is vervulling van ons diepste verlangen. Jezus is Gods liefde in levende lijve.

 Dat niet te doven licht bracht de Eeuwige op aarde, onder ons mensen. Dat licht wordt straks weer bezongen in het kind van Bethlehem. Licht, als kern van Gods kracht en mededogen, wacht om ook in ons op te staan en zichtbaar te worden – als eens in Jezus.

Een prachtige regel uit een gedicht zegt: een mens is voor een tijd vindplaats van God.

Als eerste was en blijft dat die ene mens naar Gods hart: Jezus Christus. In hem laat God zich vinden, reikt de hemel op een niet te bevatten en bevrijdende manier de aarde.

In het spoor van deze mens uit en naar Gods hart ligt onze opdracht en bestemming als mens:

om zelf ook voor anderen een vindplaats te zijn waar, in momenten van vergeving, betoonde barmhartigheid, waar in een troostend gebaar, in gedeelde stilte, in een gulle lach of gedeelde hoop, - iets van God zelf oplicht.

Huub Oosterhuis dicht:  Soms breekt uw licht in mensen door, onstuitbaar, Zoals een kind geboren wordt. Gedenk uw mens, die wordt genoemd uw kind, Uw koninkrijk, uw licht.

 In het kind  in de kribbe weten we al van het kind, de mens die voluit leefde, onderging en opstond, als een icoon van de liefde Gods die niet vergaat. In zijn lichtend spoor worden ook wij geroepen te leven, met hart en ziel, het donker van alle onrecht en cynisme tegen.

Wie het geheimenis van kerst tegemoet leeft, komt dit licht, dit overweldigende inzicht tegemoet: ook wij zijn, stuk voor stuk, gezien, bedoeld om, voor de tijd ons gegeven, vindplaats te zijn van God.   

Het licht is uitgezaaid,
dit stralend Woord van den beginne;
een ster geboren, die ons wijst
waar God zich hier laat vinden.
Dit licht zal als een lopend vuur
de nacht voor altijd overwinnen.

Het licht is uitgezaaid
en niet door weer en wind te doven.
Hoe diep  het donker ook,
wij zullen in zijn kracht geloven.
Want ook de langste nachten gloeit
dit Licht als Morgenster te boven.

Het licht is uitgezaaid
in ons, opdat wij zullen stralen.
In onze liefde wil
het zich in duizendvoud herhalen.
Maak ons tot sterren in de nacht
voor al wie met ons ademhalen.

Sytze de Vries

 Naar inhoudsopgave

 

Meditatie november 2011

Kostbaar kleinood

Donker en glanzend lag de kleine, ronde steen in zijn hand. “Ik heb ‘m altijd bij me, sprak de oude man tegenover mij. “In m’n jas, of broekzak, de jaren op het werk. Op vakantie ging ie ook mee. Dan stopte ik deze steen in mijn toilettas. Kijk eens hoe hij glimt na al die jaren.”

De man had de steen als kind van zijn vader gekregen, op vakantie. Samen lopend in de droge zomerbedding van een bergbeek had zijn vader de steen opgeraapt. “Hier, die is voor jou”, had hij gezegd. “Kijk eens hoe mooi donker en glad hij is”. Dat was jaren geleden.

Sinds de vroegtijdige dood van zijn vader droeg dit inmiddels gegroefde en grijs geworden kind deze steen bij zich. Een kostbaar kleinood.  “Als ik de steen voel in m’n hand, dan voel ik me soms weer dat kind, dicht bij m’n vader”, sprak hij. “God, wat hebben we samen veel gelopen, op vakanties. Wat ik weet van de natuur, en mensenkennis – dat heb ik van mijn vader, echt”.  Bij de herinneringen aan zijn vader verscheen even een glimlach op zijn gezicht en lichtten zijn ogen op.

Aan die man, aan die kleine donkere steen,moest ik denken in deze dagen voor kerst.

Er zijn tijden dat het wintert in eigen leven. Verlies van geliefden, verlies van gezondheid, van idealen, verlies van perspectief en plannen voor de toekomst, kunnen een mens als verweesd achterlaten. Lege handen worden niet zomaar gevuld.

Soms kunnen herinneringen aan mensen, verhalen van weleer, momenten van leegte vullen. Ook verhalen kunnen zijn als een kleine, kostbare steen in onze hand.

 Ik denk aan het verhaal van Lukas 2. Herinneringen daaraan kunnen dierbaar zijn, vermengd als zo’n vertrouwd verhaal is geraakt met beelden, klanken en geuren van vroeger. Het verhaal van het kind en de kribbe, de stal met de herders en de dieren, de ster en de engelenzang – even leek de kerkruimte met lichtjes, de warmte en de snorrende oliekachel deel uit te maken van die donkere én lichtende hemel boven Bethlehems velden.

Kerst vieren, luisteren naar dat oude verhaal van de Allerhoogste, die zich vinden laat in een kwetsbaar kind, zingend samen de vertrouwde liederen van het Ere zij God en vrede op aarde – heimwee én verlangen is het gelegd in onze handen, in ons hart. Dit jaar zal het bij velen onder ons niet anders zijn.

 En toch, met het verhaal van de geboorte van Jezus wordt ons meer in handen gegeven.

Opnieuw denk ik aan dat verhaal van die man en de steen die hij bij zich droeg. Die ene steen

uit een bergbeek bracht hem weer dicht bij zijn vader, bij wat hij zei en leerde. Verhalen uit het bijbels getuigenis willen niet anders. Ze willen ons brengen, dichtbij onze hemelse Vader.

Van hem, de verhalen die getuigen van Zijn grootheid, kunnen we leren over de schepping.

Hij leert ons mensen kennen, zien als door Zijn eigen ogen. Onderweg lijkt Hij niet te bukken, maar vindt Hij in Zijn hoge ruimte het meest kostbare dat Hij bezit. Hij buigt zich tot naar ons, en reikt ons van Zijn liefde. Een mens ons nabij, Jezus, kind van het hemels licht, Gods sprekend evenbeeld.

 Oude verhalen kunnen zijn als een glimmende steen die we met ons meedragen in onze kleding, kunnen warmen in onze handen. De verhalen en getuigenissen van evangelisten en apostelen over Jezus zijn tot meer in staat. Aan de hand van deze zoon van Israël, deze mens naar Gods hart, leren we gaandeweg, en met vallen en opstaan, mens worden. In zijn licht ontdekken we, naast eigen grenzen en tekort, ook onze kracht en mogelijkheden. In zijn spoor leren we liefhebben in mededogen

 

Naar inhoudsopgave

Meditatie oktober 2011

Sporen zoeken

Als kind voelde je de spanning van het sporen zoeken in het bos. Er was de opwinding, en de opluchting, als door het groepje kinderen weer een spoor in het bos werd ontdekt dat verder  de weg wees. Vaak was het een lintje, geknoopt aan een tak, als dan niet gekoppeld aan een opdracht. Zoeken naar sporen, merktekens, waarlangs een weg werd gewezen in dat grote bos. Als beloning was er die stapel pannenkoeken. Niet verdwaald, samen thuis en smullen maar.

Oude handelsroutes door de bergen werden ook van merktekens op bomen, rotsen, muren en kruispunten van wegen voorzien. Tegenwoordig maken ze deel uit van fiets en wandelroutes voor toeristen en hoef je nog steeds niet te verdwalen in onbekend gebied.

Sporen zoeken langs merktekens in een landschap. Het is een bekende metafoor voor onze weg door het leven. Pelgrims zochten zo hun weg naar heilige plaatsen, handelaren vonden hun weg naar steden en markten om zaken te doen. Juist daar waar handel werd gedreven, in steden, op kruispunten van wegen, was er ook ontmoeting, uitwisseling van ideeën, van taal, cultuur en ook godsdienst. Handelssteden waren en zijn ook plaatsen voor ontmoeting, voor  vrijheid en tolerantie. Verdreven joden, vanwege de Spaanse Inquisitie hebben dat ervaren in opkomende handelssteden in de 16e eeuw, zoals Amsterdam en Antwerpen.

Handel, vrijheid en tolerantie zijn kenmerken van ons land, vanaf de jonge Republiek in de 16de eeuw tot het Nederland van vandaag. Blijft dat ook zo? Nuchter gesteld: als de ruif goed gevuld blijft, de economie goed draait en voor welvaart blijft zorgen in brede lagen van de bevolking, dan zijn ook vrijheid en tolerantie makkelijk op te brengen.  Wat, als het tij keert, wat als een kredietcrisis uit 2008 binnenkort weer wordt gevolgd door een nieuwe crisis en recessie? Dan staan genoemde waarden onder druk. Eerdere momenten in de geschiedenis laten zien dat door een diepe economische crisis, zoals in de dertiger jaren van de vorige eeuw, beschaving een dun laagje vernis blijkt te zijn.

Tolerantie en vrijheid mogen geen afgeleide kwaliteiten zijn van handel en welvaart. Dan gaat het om waarden in passieve zin. Het omgekeerde is nodig wil een samenleving ook in tijden van minder welvaart innerlijk weerbaar blijven. Tegenover de voedingsbodem van gevoeld onbehagen en gebrek aan veiligheid gaat het om besef dat leven niet in alles maakbaar is.

Onveiligheid, gebrek, wisselvalligheid van het lot in ons bestaan vallen niet per wet en decreet uit te bannen. In de naoorlogse hoogconjunctuur van het schijnbaar vrije en autonome Westen waren we dat haast vergeten.

Niet een voedingsbodem van groeiend onbehagen, deels gevormd door onze verwende Westerse ziel, zal richtinggevend hebben te zijn in ons bestaan. Voor hen die in de wereld willen behoren bij de beweging rondom Jezus Christus gaat het om de bron die buiten ons ligt en waaruit wij mogen putten. Die bron noemt Jezus de schat in de hemel. Bedoeld wordt de liefde van God die wacht om door ons te worden gezocht en gevonden. Liefde van God is het die in ongeduld zich aan ons reeds te kennen heeft gegeven in die ene mens naar Gods hart. In Jezus zien wij God aan het werk. In hem is vrijheid niet een bijproduct van welvaart. Meer dan tolerantie zien wij in onze Heer krachtige naastenliefde aan het werk. Juist als het tegen zit, ook als het eigen leven pijnlijk tekent,weet de liefde, in actieve zin niet van wijken. Haar hart blijft gericht op de naaste, ook in zijn of haar anders-zijn, Om die bron, als merkteken op onze weg door het leven, is het te doen. Johannes, een van de eerste leerlingen van Jezus schrijft aan de jonge christelijke gemeente: de liefde drijft alle vrees uit.

Laten wij als “mensen van de weg” (zo werden de eerste christenen genoemd) in deze tijd het spoor niet bijster raken. Het evangelie leert ons: er is een vitaal spoor van leven getrokken voor krachtig, weerbaar, kritisch en liefdevol leven en samenleven in Christus, onze Heer. Hem behoren wij toe.

                                                                                                                                     EJR

Naar inhoudsopgave

Meditatie september 2011

Met Israël verbonden

De titel van dit stukje klinkt als een echo van de woorden die vijftien jaar geleden zijn opgenomen in de kerkorde, waarin gesproken wordt over “de onopgeefbare verbondenheid met Israël”. Vanuit die verbondenheid deelt de kerk in de aan Israël geschonken verwachting van het Koninkrijk Gods.  

De kerk erkent vanuit het verstaan van het Bijbels getuigenis dat Israël als eerste is uitgekozen om Gods bevrijdende Naam kenbaar te maken, voor waar en betrouwbaar te houden onder alle volken.

Op zich zijn al boeken vol geschreven over uitverkiezing. Niet-joden, waaronder ook vele christenen associëren deze uitverkiezing met arrogantie en hoogmoed: Israël, dat uitverkoren volkje, laten ze maar eens een toontje lager zingen.  Wat wordt vergeten is dat deze uitverkiezing van Israël geen keuze is geweest, maar een keuze is en blijft van de HEER.

Uitverkiezing, geroepen om Gods Naam uit te dragen als een licht ook voor alle volken?

Tot op de dag van vandaag voelt Israël zich daarin gestraft en gezegend. Dat laatste wordt gevierd op Simchat Tora, waarin in vele synagogen het feest wordt gevierd van de Vreugde der Wet. De Tora, met de tien geboden, woorden ten leven zijn een geschenk en bron van vreugde. Tegelijk laat eeuwen van vervolging zien dat velen uit Israël het liefst niets te maken willen hebben met zo’n bijzondere positie. Bekend is de verzuchting van een rebbe uit de musical Anatevka: HEER, zo is het wel genoeg geweest, kunt u zich nou niet eens een ánder volk verkiezen?

Israël – over welk Israël hebben we het eigenlijk?

Als kind kreeg je op school het vak Bijbelse geschiedenis. Israël, was het volk van God, ontstaan uit de schoot van Abraham. Israël was het land dat in bezit werd genomen. De plaatsnamen Kana, Nazareth, Bethlehem, Hebron en Jeruzalem klonken je als kind even vertrouwd in de oren als dat andere rijtje dat je leerde over Hoogezand-Sappemeer, Groningen, Leeuwarden, Assen, tot aan Middelburg en Maastricht toe.

Israël duidt, naast het Bijbelse volk van belofte, ook op een eigen land. En daar liggen de problemen, al eeuwenlang, van ver vóór 1948. Daarmee komen we bij een derde betekenis, in kranten en via TV het meest bekend: Israël als moderne staat in het Midden-Oosten.

Niet minder vertrouwd en overzichtelijk klonken, ‘s middags om 13.00 uur, tijdens het zondagse toetje, de analyses over “de toestand in de wereld”, ondermeer over dit Israël, uit de mond van Mr. G.J.B. Hilterman. Vader zweeg omdat een andere donkere stem met gezag sprak. Als kind hield je dan wel je mond.

Israël, het joodse volk, eeuwenlang aangevochten in zijn bestaan, sinds 1948 ook als staat.

Nu de stem van Hilterman allang niet meer klinkt zou, nu ik volwassen ben geworden en zelf vader ben van kinderen, zou ik zo graag die stem aan tafel, in mijn hart én in de ether, het publieke domein, willen horen van de HEER zelf. Zo helder en duidelijk als dat klinkt en Tora en Profetie: “Zo spreekt de HEER…” Wat zou Hij dan zeggen over Zijn volk Israël, over de staat Israël, over die ándere kinderen en nazaten van Abraham – de Palestijnen, de arabieren en moslims? Elke mensenclaim op Gods visie riekt onmiddellijk naar fundamentalisme.

Er wordt zoveel beweerd en beschuldigd. Geen zinnig mens kan het afwerpen van clusterbommen door het Israëlische leger in Libanon, deze zomer, zomaar rechtvaardigen.

Tegelijk is het dwaas om de ogen te sluiten voor de virulente haat die het bestaan van Israël als volk en staat de eeuwen door betwist, tot op de dag van vandaag.

Die dubbele pijn, ondergaan én veroorzaakt door Israël als volk en staat, vraagt om ruimte en nuance. Voor mij betekent dat een ook kritische verbondenheid met Israël als volk en staat. Onopgeefbaar wil die verbondenheid zijn, voor zover door kerk en synagoge blijvend wil worden gezocht naar wat de Eeuwige het liefst kenbaar wil maken aan Israël en  aan de volkeren”: hartstocht voor gerechtigheid die ruimte van leven en een eigen identiteit gunt aan ál Zijn mensenkinderen.                                                                                                            

                                                                                                                                              EJR

Nog één boek extra mee in mijn tas!

Uitkijkend op een bomenrijk dal met in het midden de Ghirlase plas lees ik een biografie over de stad Jeruzalem. Voordat de koffers in de doos op het dak van de auto verdwenen, heb ik de verleiding niet kunnen verstaan. Met de boekenbon van de Exoduskerk heb ik voor vertrek het boek Jeruzalem. De biografie geschreven door Simon Sebag Montefiore gekocht. De boeken over Paulus, kerkverlating en Italiaanse filosofie liggen nog ingepakt onder het bed in de caravan. Vakantie begint – zo denk ik - met iets geheel anders dan het alledaagse van thuis.

 Toch is het begin van het boek niet nieuw. Een herinnering aan tentamenstof uit een ver verleden. Aan de hand van de boeken van de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus en het Nieuwe Testament vertelt de schrijver over de vernietiging van de Tweede Tempel en de stad Jeruzalem door de Romeinse keizerszoon Titus in het jaar 70 van onze jaartelling. Na de terugkeer van de ballingen is de bouw van de Tweede Tempel begonnen en op het hoogtepunt van zijn macht verfraait de vazalkoning van de Romeinen Herodes de Grote – aan het begin van onze jaartelling – de tempel en de stad Jeruzalem. In 66 zijn de joden in opstand tegen de Romeinse overheersing gekomen. Titus verovert eerst Judea, voordat hij een beleg om de stad opslaat. Na zes maanden dringen de belegeraars de stad binnen. Met de woorden van Flavius doet Montefiore verslag van de bloedige strijd binnen de muren van de stad. Als Titus vertrekt voor zijn grootse intocht in Rome heeft hij eerst Jeruzalem met de grond gelijk gemaakt.

 Voor de tweede keer treft dit lot de stad. In de zesde eeuw v.Chr. vernietigt de koning van Babel, Nebukadnesar, Jeruzalem en de Tempel – die door koning Salomo was gebouwd. De Tempel met in het heiligste der heiligen de Ark van het Verbond!

 Al in het boek Jeremia schrijft zijn secretaris Baruch over de handelsroute tussen Oost en West langs Jeruzalem waarover ook de troepenverplaatsingen tussen Babel en Egypte gaan. Al zo’n 3000 jaar lang ligt de heilige stad van de Joden op een plek waarlangs de veroveraars uit het Oosten naar het Westen of omgekeerd komen. Bovendien is Jeruzalem ook de heilige stad van nog twee andere geloven, Christendom en Islam. Christenen vereren Jeruzalem omdat de stad de plek van Jezus’ lijden en sterven is en moslims omdat hun profeet er ten hemel voer.

 Voor velen is Jeruzalem het waard om er om te vechten. Het leven van de stad tekent de schrijver op aan de hand van de levens van haar bewoners die weer door anderen – voor hem - zijn opgeschreven. In de loop van de geschiedenis wordt Jeruzalem veroverd en bestuurd door Assyriërs, Babyloniërs, Perzen, Macedoniërs, Seleuciden, Romeinen, Byzantijnen, Ommajjaden, Abbasiden, Fatimiden, kruisridders, Saracenen, Mammelukken, Ottomamen, Britten en, sinds 1948, Israëliërs.

 Twee van haar bewoners ontmoet ik later in de vakantie in een mozaïek in een kerk in Ravenna - het keizersechtpaar Justinianus en Theodora. Het zijn levensechte portretten van dit koppel in de koepel. Overigens zijn Justinianus en Theodora nooit in Ravenna geweest. Voor hen was politiek en godsdienst bloedserieuze zaken. In het besturen van de stad komen die twee samen. De stad wordt een pelgrimsoord waar voor zowel Joden als Christenen plaats was. Hun voorgangers dachten daar wel eens anders over. De Joden werden vaak de stad uitgezet! Justinianus en Theodora willen in hun godsdienstijver koning Salomo overtreffen. Zij bouwen in Jeruzalem een basiliek voor de maagd Maria die bijna 120 meter lang, 57 meter hoog met 5 meter dikke muren. De bouw komt klaar maar in de tijd dat de Islam de stad domineert wordt de kerk verwoest.

 Nu – na mijn vakantie – lees ik nog steeds passages uit het boek. Immers het is een lang verhaal. Soms leg ik het boek vermoeid door de verhalen over grof geweld, veroveringen, slachtpartijen, religieuze onverdraagzaamheid wel eens terzijde maar tegelijk ontdek je ook de schoonheid, de wijsheid, de tolerantie en de verzoening in het leven van de stad. Soms wisselen zij elkaar af, soms zijn ze met elkaar verweven. Hoe het afloopt weten we nog niet.

 Door het dikke boek over Jeruzalem heb ik een aantal boeken ongelezen mee teruggenomen naar huis. Ze liggen nu op het stapeltje “nog te lezen”. Voor een volgende vakantie!

Jils Amesz

Naar inhoudsopgave

 

Meditatie augustus 2011  

                                              Jacobsladder

Geloven zonder zingen kan ik me niet voorstellen. Het ene voedt het andere. Taal en beelden van geloven voeden ons zingen. En zingenderwijs kan ons geloof nieuwe kracht ontvangen.  Om zingen is het te doen, in zondagse diensten, maar ook op andere momenten – misschien stil in ons zelf, psalmwoorden die bij ons bovenkomen – ’s nachts, als we, door zorgen en vragen, de slaap niet kunnen vatten. Dat hoor ik soms wel eens iemand zeggen: als ik niet kan slapen, dan ga in mezelf maar zingen – al die liederen, psalmversjes die ik als kind leerde op school. En dat werkt – dan val ik toch weer in slaap.

Zingen. Een van mijn eigen eerste herinneringen is dat ik als kind niet ’s nachts maar vroeg in de morgen opbed begon te zingen – iets later dan de eerste vogeltjes buiten. Ik weet niet of mijn tweelingbroer dat zo kon waarderen – dat moet ik hem nog eens vragen.

Zingen. De kracht die er vanuit kan gaan, de troost, de rust – het plezier van zingen.

Kerkmensen weten dat. Vroeger was zingen ook daarbuiten meer gangbaar. Aan die tijd, zo’n veertig jaar geleden, refereert het lied van Herman van Veen: Hilversum 3 bestond nog niet, op elke steiger klonk een lied van paljas of Jeruzalem. Zo hoor ik als kind mijn moeder nog geregeld zingen tijdens het werken in huis. Zingen. Ik kan het, evenals u, niet laten. Het is gevoed, als kind in mij, door liederen om mij heen, thuis, op school, in de kerk, en later in mijn werk als predikant.

Zo voeden wij ook elkaar in geloof, in kracht en vertrouwen – met en door te zingen.

Geloof, besef van Gods liefde voor ons, komt voort uit de hemel en zingen, als antwoord, komt op uit de aarde. Hemel en aarde – zou dat met zingen iets te maken kunnen hebben?

In het christelijk geloof wordt ons geleerd dat Jezus Christus, als zoon van God, onze hemelse Vader, de verbinding is met mensen als wij. Jezus, de van God gezondene heeft onder ons geleefd, op aarde. Het symbool van Hem, het kruis, verbeeldt ook die verbinding tussen hemel en aarde.

Hemel en aarde, boven en beneden, het menselijke en het goddelijke – voor mij is er nog iets dat daartussen een verbinding vormt. Dan denk ik aan dat oude, prachtige Bijbelverhaal over twee broers. De een op de vlucht voor de ander. Zouden ze elkaar ooit nog terugzien, in de ogen kunnen kijken? Zou het tussen die twee ooit nog goed komen? De ene droomt onderweg, op zijn vlucht. ’s  nachts lijk het of ie de slaap niet kan vatten, maar hij, Jacob, droomt. Hij droomt van een ladder waarlangs engelen afdalen naar de aarde, de plek waar hij is,  en opklimmen naar de hemel. Voor Jacob is dat een teken van Gods nabijheid en trouw.

De steen waarop zijn hoofd die nacht rustte zalft hij met olie en noemt hij Bethel – huis, plek waar God woont, zich te kennen gaf aan Jacob – in lichtende engelengestalten op een ladder, die reikte van de hemel op aarde.

Zingen, lieve mensen, is zo’n ladder, die het hemelse en aardse met elkaar verbindt.

In en door zingen kunnen wij ons gedragen weten, soms uitgetild boven het bestaan uit van alledag met zijn zorgen, vragen en angsten. En, omgekeerd, kan in en door ons zingen, kracht uit de hemel, God zelf, een weg vinden naar ons.

Eén van de dichters van liederen uit het liedboek, J.W. Schulte-Nordholt, verwoordde dat kostbare besef met deze woorden: soms weet ik het niet, of God er is, alleen

                        mijn zingen geeft mij de zekerheid dat Hij er is.  

Zingen, het is en blijft als die Jacobsladder – Góds verbinding tussen hemel en aarde – een navelstreng die blijft, van wieg tot graf, en ons zuurstof geeft, kracht om in en door ons zingen heen te getuigen van de Heer in de hemel, zodat wij op aarde meer en meer mens leren worden – beeld en evenbeeld waar de Eeuwige, geprezen zij Zijn Naam, vreugde in vindt.

                                                                                                                                              EJR

Zolang wij ademhalen schept Gij in ons de kracht

om zingend te vertalen waartoe wij zijn gedacht:

elkaar zijn wij gegeven tot kleur en samenklank,

de lofzang om het leven geeft stem aan onze dank.

Al is mijn stem gebroken, mijn adem zonder kracht

het lied op and’re lippen draagt mij dan door de

nacht. Door ademnood bevangen of in verdriet

verstild: het lied van uw verlangen heeft mij

aan ’t licht getild!

 

Het donker kan verbleken door psalmen in de nacht

De muren kunnen vallen: zing dan uit alle macht!

God, laat het nooit ontbreken aan hemelhoog gezang

waarvan de wijs ons tekent

dit lieve leven lang.

 

Ons lied wordt steeds gedragen door vleugels van

de hoop. Het stijgt de angst te boven om leven

dat verloopt. Het zingt van vergezichten,

het ademt van uw Geest. In ons gezang mag lichten

het komend bruiloftsfeest.

 

  tekst: Sytze de Vries; melodie: gez. 448 liedboek

Naar inhoudsopgave

Meditatie juni/juli 2011

“Als ik de hemel schouw ...”

 Het kost niet veel moeite je iets voor te stellen bij de woorden van psalm 8. Een mens, alleen, in een grote lege vlakte - in de nacht. Misschien een woestijn of een grootst heuvelig weidelandschap? De hitte van de dag is voorbij, alles is afgekoeld, het is zelfs wat kil aan het worden. Het is stil, hooguit valt er iets van het ritselen van een enkel nachtdier te horen. Het is donker, in ieder geval donker op aarde. Die ene mens staat daar, kijkt naar boven en raakt geïmponeerd: sterren, sterrenbeelden, de maan, schitterend uitkomend tegen de zwarte donkere achtergrond. Hij wordt overweldigd door wat hij ziet. Dan komen de woorden als vanzelf.

         “Heer, onze Heer, Gij die uw majesteit toont aan de hemel (...)

         Als ik kijk naar de hemel, het werk van uw vingers,

         de maan en de sterren die Gij hebt bevestigd,

         wat is dan de mens dat Gij aan hem denkt,

         de zoon van Adam, die U ter harte gaat?” (Huub Oosterhuis).

 Die schitterende hemel, dat is nog maar werk van Gods vingers, niet meer dan een kleinigheid. De mens voelt zichzelf klein worden: wat of wie is de sterveling dat u hem gedenkt? Wat een weidsheid!

En je merkt: het ene vloeit uit het andere voort, de ene zin loopt over in de andere, de ene gedacht roept de volgende al weer op. En toch aarzel ik. En ik denk - ik niet alleen. Niet omdat ik denk dat het onmogelijk is, zo’n ervaring, zo’n groots gedicht.

 Zelf denk ik bijvoorbeeld terug aan een vakantie, op stap in een verlaten gebied - geen stad of dorp in de buurt. Het was een heldere avond en een avondwandeling. Op een gegeven moment blijf je dan staan, ga je zitten, of ga je liggen languit op de grond - in het vochtige gras - om te kijken naar dat fascinerende beeld van de sterrenhemel. Ik kan me herinneren me opgenomen te voelen in een groter geheel. Toch aarzel ik. Is dat heelal niet slechts als een prachtig uurwerk, waarvan je werking probeert te ontleden? Of is het een bezield heelal, een ontzaggelijke eenheid van zielen, sterren en zonnen? Maar is dat niet te mooi, naïef, onrealistisch, romantisch … . Misschien kan dat wel even, zo zien, soms even. Maar: éven.

 Het is dat enkele moment dat “men” in woorden wil vastleggen.  Altijd weer, het besef van nietigheid en tegelijkertijd de wonderlijke grootheid van de sterfelijke mens. Nietig, want wat is de mens vergeleken bij de hemel als “een majesteitelijke mantel met fonkelende miriaden” boven zijn hoofd? Groot, want alleen de mens is in staat om in die sterren een zin te zien, een zekerheid, Godzelf. Al hoewel de mens een nietig wezen mag zijn - onder het grote hemelgewelf - maar dat dan toch naar hem toe - naar de kleine aarde - is een openbaring gekomen. Een toewending van God!

 Op het moment dat je in de duister van de nacht omhoog kijkt overpeins je de vraag, wat is toch de mens dat U - God -  om hem geeft? Wat betekent de mens dat U voor hem zorgt? U heeft ook mij geschapen. Het gaat om die keuze van God voor die ene mens in het eindeloze uitspansel. Hij heeft de mens die Hij naar zijn beeld gemaakt heeft geschapen om te leven op de adem van zijn stem. God, die hemel en aarde geschapen heeft, ziet om naar de mens God laat zich kennen als een zorgzame God. In de bewerking van de psalm “Beveel de Heer je wegen” duikt het thema van Gods zorg voor schepping op, “Zijn zorg blijft je omringen. Hij zendt zijn eng’lenwacht, dan kun je psalmen zingen in ’t midden van de nacht.” En in het op de psalm geïnspireerde lied “Heer, onze God, hoe heerlijk is uw naam” maakt een dichter deze keuze persoonlijk. Met Jezus kiest God voor de aarde, “U komt ons, Heer, in Christus tegemoet. U geeft ons, Heer, verlossing door Zijn bloed. U roept ons, mensen, in Uw heerlijkheid: leven om Jezus’ wil in eeuwigheid!” De psalmwoorden roepen bij hem een dogmatische fantasie op.

 Achter dat beeld mogen de sterren echter niet onzichtbaar worden. Voor de opziener naar de hemel wijzen de sterren een weg. Zij leren hem zijn plaats bepalen. Letterlijk en geestelijk.  Niet alleen herinneren zij hem dat God hem geschapen heeft naar zijn beeld, maar ook dat Hij mij in al mijn kleinheid een grootse taak heeft gegeven: de zorg voor de wereld om je heen en allen die daarop wonen. Onder het grootse uitspansel hoef je je niet te verdrinken in je gevoelens van kleinheid en kwetsbaarheid. God heeft de opziener naar zijn schepping groot gemaakt - “Godendochters zijn wij en zonen gekroond met onzienlijke kronen” - en dat kun je je soms beter zingend te binnen brengen dan erover piekeren en praten. En wanneer je zelf niet kunt zingen. Dan mag je erop vertrouwen dat het lied van mensen om je heen je draagt.

Met een vakantiegroet,

Jils Amesz

Naar inhoudsopgave