Zondag 24 februari 2019 Zondag 24 februari 2019
Welkom en mededelingen

Voorbereiding

Stil gebed (gemeente gaat staan)
Lied 280: "De vreugde voert ons naar dit huis", 1, 2, 3, 5

Votum en groet
Lied 212: 4 en 5

Gebed om ontferming
Glorialied 158b: "Een schoot van ontferming", 2x

Dienst van het Woord
Gebed bij de opening van de bijbel

Eerste lezing Esther 5: 1-14
51Toen de derde dag aangebroken was, hulde Ester zich in een koninklijk gewaad en ging naar de binnenhof van het koninklijk paleis. Daar bleef ze staan, tegenover de troonzaal. In de zaal zat de koning op zijn koninklijke troon, tegenover de ingang. 2Zodra hij koningin Ester in de hof zag staan, voelde hij zo veel genegenheid voor haar dat hij haar de gouden scepter toestak die hij in zijn hand hield. Ester ging naar voren en raakte het uiteinde van de scepter aan. 3Toen vroeg de koning haar: 'Wat is er, koningin Ester? Wat is uw wens? Al was het de helft van mijn rijk, het zal u gegeven worden.'4En Ester antwoordde: 'Als het de koning goeddunkt, laat hij dan vandaag nog samen met Haman bij mij komen en deelnemen aan de feestelijke maaltijd die ik voor hem heb bereid.'5Daarop gaf de koning bevel om Haman zo snel mogelijk te halen. 'We zullen doen,' zei hij, 'wat Ester verzoekt.'
Zo kwamen de koning en Haman om deel te nemen aan de maaltijd die Ester had bereid. 6Toen de wijn geschonken werd, zei de koning tegen Ester: 'Wat wilt u vragen? Het zal u gegeven worden. Wat is uw wens? Al was het de helft van mijn rijk, uw wens zal vervuld worden.' 7'Wat ik wil vragen, wat ik wens ...' antwoordde Ester, 8'als de koning mij goedgezind is en als de koning genegen is mij te geven wat ik wil vragen en mijn wens te vervullen, laat de koning dan nogmaals met Haman bij mij komen en deelnemen aan een feestmaal dat ik voor hen zal bereiden. Morgen zal ik op de vraag van de koning antwoord geven.'
9Haman verliet het paleis die dag vrolijk en goedgehumeurd. Maar zodra hij in de Koningspoort Mordechai zag, die niet opstond en niet van ontzag voor hem beefde, werd hij woedend.10Hij beheerste zich echter en ging naar huis. Daarop liet hij zijn vrienden bij zich komen en Zeres, zijn vrouw.11Hij wees hun op zijn geweldige rijkdom, het grote aantal zonen dat hij had en de eervolle positie die de koning hem had gegeven door hem boven alle rijksgroten en hoge functionarissen te plaatsen. 12'En daar komt nog bij,' zei Haman, 'dat koningin Ester een feestmaal heeft bereid waarvoor ze behalve de koning niemand anders dan mij heeft uitgenodigd. En ook voor morgen ben ik door haar gevraagd, samen met de koning. 13Maar dit betekent allemaal niets voor mij zolang ik Mordechai, die Jood, in de Koningspoort zie zitten.' 14Zijn vrouw Zeres en al zijn vrienden zeiden toen tegen hem: 'Laat een paal neerzetten van vijftig el hoog en zeg morgenochtend tegen de koning dat Mordechai daaraan moet worden gehangen. Dan kun je daarna vrolijk met de koning aan tafel gaan.' Dat voorstel beviel Haman, en hij liet de paal klaarzetten.

Lied 321: 1, 2, 3 "Niet als een storm, als een vloed"

Tweede lezing Lucas 5: 1-11
51Toen hij eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, 2zag hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen.3Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot. 4Toen hij was opgehouden met spreken, zei hij tegen Simon: 'Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.'5Simon antwoordde: 'Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen.' 6En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo'n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. 7Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken. 8Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: 'Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.' 9Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; 10zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus zei tegen Simon: 'Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.' 11En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden hem.

Lied 339a: Acclamatie

Lied 321: 6 en 7

Overweging

Lied 657: 1, 3, 4 (Zolang wij adem halen)

Gebeden en gaven
Dankgebed en voorbeden, gevolgd door een stil gebed
Collecten

Slotlied 423:1 en 2 (Nu wij uiteengaan)
Zegen
Als amen: Slotlied 423: Couplet 3
terug